Ja, het leven gaat natuurlijk verder, met heel veel dank voor de vele lieve woorden van troost.
De super gaat met verhoogd tempo ook door!
Zoals ik ooit al eens zei, vind op zes december de grote ombouw plaats. Eh, hoe? Nou ja, Sint en Piet gaan en Santa Claus en de rendieren komen, natuurlijk. Ja, supers zijn plekken waar die feesten uitgebreid worden uitgebuit (geen negatief woord, maar een beetje passend in de allitererende tekst). Die drie weken in december zijn de weken dat het 'mot' gebeuren. Dan kan je verdienen en soms een tegenvallend jaar nog goedmaken ook! In die drie weken presenteren supers zich op hun best en op hun fraaist, hoewel? Ik schreef even geleden al dat de overdadige kerstversieringen van een jaar of wat geleden bijna passe zijn, bijna verleden tijd. Ik weet dat we, tot die wat jaren her, de twee of drie containers met al die "nep", lees vorig Blogs, versieringen uit de krochten van de winkel werden gehaald, waar ze bijna vijftig weken per jaar hun eh, nu ja, hun plas staan op te houden, zeg maar. Maar, als die containers binnenkwamen was het "Alle Hens" (voor de niet ingevoerde KM m/v moet ik daar "aan dek" toevoegen) om het werk te klaren. De winkel werd van voor naar achter en van boven tot beneden bedolven onder groen/goud/rood, zijnde slingers/ballen/mutsen en prijs borden. Nu, sinds een jaar of twee, is dat niet meer zo. Er zijn dan nog wel van die opvallende "plafondhangers" en "mobiles" aan de verlaagde plafonds van (in elk geval onze) winkel, maar verder is het momenteel qua Kerst versiering soberheid troef.
Waarom? Tja, ik kan niet in de harten en agenda's van onze opperhoofden in hun glazen torens kijken, maar persoonlijk heb ik het idee dat het alles te maken heeft met het "niet voor de kop willen stoten" van mensen die niet aan Kerst doen als zijnde dagen die, ooit, als "algemeen erkende christelijke feestdag" in de agenda's werden vermeld. Ooit, want in mijn agenda staan die woorden tegenwoordig ook niet meer. Nu heb ik een agenda van een van de grootste warenhuizen van ons land, die bekend staat om hun smakelijke maar vette rookworsten, en ja, die firma was er als de kippen bij om ook de Zwarte Piet af te schaffen, als zijnde "totaal verkeerd". Dat je je als warenhuis dan wel laat beïnvloeden door een heel klein groepje schreeuwers met grote smoelen die geen andere dagtaak hebben dan: demonstreren en ontevreden zijn, deed hen kennelijk niet veel. (Die "beroeps" demonstranten hebben daar alle tijd voor, natuurlijk. Ze worden immers gesponsord door de staat, dan wel het UWV?)
Maar, de directie van De Keten heeft ook hun huik naar de wind gehangen. Ja en weer een (wel heel oud) spreekwoord rijker, hoor. Kennen jullie het nog? Nee? Het betekent zoiets als zwichten voor de vijand, zeg maar. Zo een huik was een lang kledingstuk, een wijde mantel, met een wijde kap, die je zo kon draaien dat je altijd beschut was tegen de wind. (Zoals de wind waait, waait zijn jasje, betekent hetzelfde, trouwens.)
Goed, wij, nee, niet de mensen op de vloer, maar de directie van ons bedrijf, doet er dus ook aan mee aan dat huiken naar winden hangen. In het geval van de Kerst en de (soms overdadige) versieringen zwicht men nu voor de (heersende) sfeer in het land. Er zijn in ons land, geloof het of niet, mensen met een geloof dat niet is gebaseerd op de in ons land nog steeds heersende, namelijk het christelijke geloof. Die mensen vinden dat wij hun diverse religies moeten respecteren. Grondwettelijk: niets op in te brengen!
Nee, nee, nee, ik ben geen kerkganger, ik kerk helemaal niet en hang geen geloof aan. Maar onze waarden en normen van onze samenleving zijn wel gebaseerd op dat geloof, met al die tafels van steen en geboden en verboden. Waaronder iets als dat "gij zult niet doden" of zo. Waarbij mij dan weer beelden aan mijn geestesoog voorbij gaan van publieke onthoofdingen door aanhangers van een geloof waar een mensen leven niet telt en een dierenleven al helemaal niet, zodat ze schapen en geiten onverdoofd mogen slachten, voor hun rituelen, die wij, zoals gezegd, dan wel moeten respecteren.
Maar, die gelovigen willen niet dat wij aan ons "geloof", nu ja in mijn ogen gewoon rituelen, toegeven, zijnde hen "een doorn in het oog", waarbij ik er weer een oud gezegde ingooi. Maar, wij buigen dus ons hoofd (weer) en laten die mensen hun heilige dagen vieren en hun dieren slachten en vrijaf nemen zonder problemen te maken daar over. Maar: wat geeft die mensen, die gelovigen, het zijn niet alle mensen van dat geloof natuurlijk, het recht om ons te vertellen dat wij niet onze dagen op onze manier mogen vieren of versieren?
Is dit een anti-weet-ik-wie-of-wat-tekst? No way, geen weg. Het is een tekst tegen alle mensen die hun kop laten hangen, hun huig naar de wind laten hangen, zoals je wilt, tegen minderheden die hun wil aan ons gaan opdringen en onze tradities gaan uithollen (Sint/Piet/Kerst)
=later meer, ook over de kop: Geen letter=
maandag 8 december 2014
vrijdag 5 december 2014
Tabby RIP, rust zacht en goede reis. En, wie weet...
Dit is natuurlijk het meest trieste Blog dat ik tot nu toe heb geschreven. Zoals ik al eens verteld had, maakte onze ouwe trouwe Tabby het niet zo goed meer. Ze was natuurlijk al een aantal jaren diabeet, maar kon daar verder goed mee leven. Ze kreeg twee maal daags een spuitje met insuline, we hielden haar in de peiling, we hadden haar op dieet en ze zou er misschien wel dik twintig of ouder mee kunnen worden, maar het heeft niet zo mogen zijn. Ik legde al uit, dat ze uitgezaaide tumoren in haaar lijfje had en dat onze dierenarts haar nog maar een korte duur van leven gaf.
Afgelopen woensdag hebben we een afspraak gemaakt om haar in te laten slapen. Wij vonden dat het nu over was. Ze, de "foodjunk" zoals wij haar altijd grappend noemden, at niet meer, ook haar lievelingshapjes waar ze altijd op aanviel, konden haar niet meer bekoren. Dus ja, ze leed. En dat was iets wat wij niet wilden. Dus brachten wij met z'n drieën, haar naar de dierenarts. Met z'n drietjes. E., mijn vrouw, E., onze dochter en ik. En zo was de cirkel rond.
Want nu alweer een dikke zestien jaar geleden wilden we een katje, voor de drie kinderen, voor ons en voor de gezelligheid, natuurlijk. De meiden hadden een advertentie gelezen in het lokale krantje, dat er een mijnheer was, in Zuid, die een nest met kittens had en waar hij graag van af wilde. De beide meiden gingen er, op en zaterdag, op af. Bij de mijnheer gekomen zagen ze inderdaad vier of vijf leuke kittens, met een dikke ma en een slanke, rode pa. Ze zochten met zijn beiden een beestje uit, degene die het meeste nieuwsgierig was. De mijnheer was een Fransman en had de kittens allemaal Franse namen gegeven. De rooie doerak, want dat was het, heette Babette. Maar: zij zochten het beestje niet uit, katten hebben de neiging hun personeel uit te kiezen en dat deed Babette ook. Zij koos ons. En die zaterdagmiddag kwam ze bij ons in huis en bleef ze meer dan zestien jaar. En ja, wij waren haar personeel. En ja, het was een nieuwsgierig aagje, tot de laatste dag. En ja, het was een Doerak. Wat ze allemaal niet ondernam! In de gordijnen en in het behang klimmen, de nagels scherpend net naast de krabpaal, aan de banken en zo dus. Vanaf de grond in de hoge boekenkasten klimmen, waarbij de ruggen van de boeken als ladder werden gebruikt. Verstoppen in de meest onmogelijke hoeken en gaten. Een run door de open balkondeur nemen, op de rand springen, maar even niet hebben opgelet dat het geregend had en dus twee etages lager bij de buurman in de doornen struiken belanden. Het baasje mocht haar er weer uit halen en liep vervolgens een week met allemaal pleisters en wonden van die stekelplanten.
Later, toen ze al "suiker had" moest ze, in verband met de prikjes, mee op vakantie, maar, reizen, nee da's niks voor kattebeesten. Katten zijn honkvast, hebben hun eigen gebiedje waar hun personeel ook aanwezig is om hen op al hun wenken te bedienen. Dus vakantie, in zo'n bungalow? Nou nee. Maar, toch genoot ze wel, op de kattenmanier. Ze lag naast ons als we op het platje bij het huisje zaten en waarschuwde ons als we bedreigd konden worden door verscheurende wilde dieren als hazen of eekhoorns. Dat deed ze heel inventief en effectief. Ze sloop, op haar buik, eh nee, niet naar het gevaar toe, maar naar binnen, naar de veiligheid van het woninkje.
Ik maak het kort, mijn tranen bevlekken dit papier alweer. Ze heeft een heerlijk leven gehad, met veel liefde en veel mensen die om haar gaven. De kinderen zijn de avond voor haar vertrek allemaal langs geweest en ja, er is veel gejankt.
Ze heeft een waardig afscheid gehad. Ze was helder tot de laatste seconde. Dochter E. had de kracht er bij te zijn toen ze haar prikje kreeg, wij niet. We hebben haar nog zien liggen. Zoals ze was. Een lieve doerak, een nieuwsgierig aagje, met een prachtig en lief kopje, waarop geen spoor van lijden te zien was.
Dag Tabby, bedankt voor alles. Een goede reis en ja, misschien?
Binnenkort is de crematie en krijgen wij haar urn mee.
Afgelopen woensdag hebben we een afspraak gemaakt om haar in te laten slapen. Wij vonden dat het nu over was. Ze, de "foodjunk" zoals wij haar altijd grappend noemden, at niet meer, ook haar lievelingshapjes waar ze altijd op aanviel, konden haar niet meer bekoren. Dus ja, ze leed. En dat was iets wat wij niet wilden. Dus brachten wij met z'n drieën, haar naar de dierenarts. Met z'n drietjes. E., mijn vrouw, E., onze dochter en ik. En zo was de cirkel rond.
Want nu alweer een dikke zestien jaar geleden wilden we een katje, voor de drie kinderen, voor ons en voor de gezelligheid, natuurlijk. De meiden hadden een advertentie gelezen in het lokale krantje, dat er een mijnheer was, in Zuid, die een nest met kittens had en waar hij graag van af wilde. De beide meiden gingen er, op en zaterdag, op af. Bij de mijnheer gekomen zagen ze inderdaad vier of vijf leuke kittens, met een dikke ma en een slanke, rode pa. Ze zochten met zijn beiden een beestje uit, degene die het meeste nieuwsgierig was. De mijnheer was een Fransman en had de kittens allemaal Franse namen gegeven. De rooie doerak, want dat was het, heette Babette. Maar: zij zochten het beestje niet uit, katten hebben de neiging hun personeel uit te kiezen en dat deed Babette ook. Zij koos ons. En die zaterdagmiddag kwam ze bij ons in huis en bleef ze meer dan zestien jaar. En ja, wij waren haar personeel. En ja, het was een nieuwsgierig aagje, tot de laatste dag. En ja, het was een Doerak. Wat ze allemaal niet ondernam! In de gordijnen en in het behang klimmen, de nagels scherpend net naast de krabpaal, aan de banken en zo dus. Vanaf de grond in de hoge boekenkasten klimmen, waarbij de ruggen van de boeken als ladder werden gebruikt. Verstoppen in de meest onmogelijke hoeken en gaten. Een run door de open balkondeur nemen, op de rand springen, maar even niet hebben opgelet dat het geregend had en dus twee etages lager bij de buurman in de doornen struiken belanden. Het baasje mocht haar er weer uit halen en liep vervolgens een week met allemaal pleisters en wonden van die stekelplanten.
Later, toen ze al "suiker had" moest ze, in verband met de prikjes, mee op vakantie, maar, reizen, nee da's niks voor kattebeesten. Katten zijn honkvast, hebben hun eigen gebiedje waar hun personeel ook aanwezig is om hen op al hun wenken te bedienen. Dus vakantie, in zo'n bungalow? Nou nee. Maar, toch genoot ze wel, op de kattenmanier. Ze lag naast ons als we op het platje bij het huisje zaten en waarschuwde ons als we bedreigd konden worden door verscheurende wilde dieren als hazen of eekhoorns. Dat deed ze heel inventief en effectief. Ze sloop, op haar buik, eh nee, niet naar het gevaar toe, maar naar binnen, naar de veiligheid van het woninkje.
Ik maak het kort, mijn tranen bevlekken dit papier alweer. Ze heeft een heerlijk leven gehad, met veel liefde en veel mensen die om haar gaven. De kinderen zijn de avond voor haar vertrek allemaal langs geweest en ja, er is veel gejankt.
Ze heeft een waardig afscheid gehad. Ze was helder tot de laatste seconde. Dochter E. had de kracht er bij te zijn toen ze haar prikje kreeg, wij niet. We hebben haar nog zien liggen. Zoals ze was. Een lieve doerak, een nieuwsgierig aagje, met een prachtig en lief kopje, waarop geen spoor van lijden te zien was.
Dag Tabby, bedankt voor alles. Een goede reis en ja, misschien?
Binnenkort is de crematie en krijgen wij haar urn mee.
maandag 1 december 2014
Steelpiek, deel twee
Ik heb het met jullie gehad over de zogenaamde "steelpiek", de hoeveelheid diefstallen uit 'winkels'. Nu ja, nu is dat steelpiek een kreet die vaak pas rond de kerst gaat gelden, later meer daarover. Maar, zoals afgesproken, ik ga nog wat getallen geven en ga nu niet geeuwen of naar de Bold and Beautiful kijken, of dergelijke zware, want interlectuelere kost.
Zoals ik al schreef, wordt er voor 520 miljoen euro per jaar gejat uit winkels. (Winkels, ik zei het al: alle zaken waar je dingen kunt kopen die je al dan niet nodig hebt.) Bij de Bijenkorf, een wel echt poep chique winkel, ook overigens, hoor. We hebben er een in Amstelveen, ja, hé, natuurlijk, in Amstelveen zou je haast willen zeggen, maar goed, we hebben er een van de tien filialen die ons land rijk is. (Of je dat dat ook vind, dat 'rijk' zijn, is een tweede, ik vind het zelf een hele prettige toko, met personeel dat je hakken klikkend en lief lachend tegemoet komt en dat je uitgebreid informeert over allerlei vragen die je hebt. Waarna ik dan wegloop met een van die aanbiedingen die ze hebben, drie boeken voor een joet, tijdens die zogenaamde Dolle Dwaze Dagen.)
Maar, die Bijenkorf wordt elk jaar voor zevenenhalf miljoen, euro bestolen. I f... U not! 7.5 miljoen euro! Denk je dat eens in? (Ik tikte die woorden en getallen net in, geloofde het niet en heb het nog eens gecheked, maar ja, het staat er echt, hoor, dat geweldige hoge bedrag.) Nu ja, ondertussen is de doorsnee lezer van mijn Blog al lang afgehaakt, dus ik stop er maar mee. Niet? Je wilt meer? Ok, je gaat voor hardcore: je krijgt hardcore.
Het landelijk gemiddelde van winkeldiefstallen staat op 26 per 10.000 inwoners. Dus, ja ik weet het, jullie zijn slim zat, van elke 10.000 inwoners jatten er 26 wel eens. Nou dat valt mee toch? Ja, maar we hebben wel 16 miljoen mensen in ons land. (Ok, kids meegerekend) Maar, we hebben dus 16 miljoen mensen in ons land. Om van 10.000 een miljoen te maken, moet je dat getal met 100 vermenigvuldigen en dus ook het aantal dieven. Dan kom je dus op 2600 per 1.000.000 en vermenigvuldig dat nog maar eens met 16. Voor het gemak heb ik dat voor jullie even gedaan: 41.600 winkeldieven.
(Het getal van die diefstallen ligt overigens landelijk op die 26. In Mokum ligt dat op 60 en in mijn stad ook nog wel op 22, maar ja, wij liggen wel tegen de stad der steden aan, dus dan krijg je overloop van het geboefte, zeg maar.)
Is dat veel? Ja, dat vind ik wel. Een heel voetbalstadion vol boefjes of zo. Nou ja, het zal bij statistici wel allemaal anders liggen, natuurlijk. Man, man, wat een getallen. Eentje nog, om het af te leren. Als er een boefje gepakt word dan krijgt hij/zij een strafblad en, misschien zelfs een straf van de rechter. Maar in ieder geval komt er een 'vordering', nee kijk niet zo, ik heb het woord niet bedacht, van 181 euro 'tenaamstelling', nee, weer niet zelf verzonnen, van de hem of de haar. Maar ja, de mensen die jatten en stelen, hebben vaak geen cent te makken, dus: kan je fluiten? Fluit dan maar naar naar je munten.
Nu ja, over steelpiek, ik zou het nog uitleggen, voordat ik allemaal cijfers ging geven en zo. De periode rond feestdagen in december staat bekend als de periode waarin de meeste diefstallen gebeuren. Er is een piek in het stelen en, nee, ik ga dat nu niet voor jullie, slimme lezertjes, vertalen, daar zijn jullie natuurlijk helemaal slim en clever genoeg voor. Mensen met weinig geld willen ook de feestdagen meemaken, willen cadeaus kopen en lekker eten, wie wil niet een leuke decembermaand? Ik keur dat gedrag af, ja, logisch natuurlijk. Ik moet ook betalen voor mijn boodschappen en als ik, oké, we, die poen niet hebben, moeten we de tering naar de nering zetten. (Kijk en zo krijg je nog eens een gratis lesje "spreekwoorden en gezegdes" inbegrepen, gratis, bij deze cursus.)
Begrijp ik het? Ja, een beetje wel. Ik ben een arrebeijer geweest, mijn hele leven. Soms een chique arbeider, met strepen en sterren op mijn werkpak, maar ik ben ook een jonge arbeider geweest, met minder inkomsten, doordat ik nog niet zoveel van die sterren en strepen had. Daarbij een jong gezin, aflossingen hier en daar en nu, ja, laat maar verder. Maar, wij hebben de befaamde tering en zo, wel naar enzovoort gezet altijd en hebben nooit gestolen van wie dan ook. Hoewel supers het af en toe wel heel makkelijk maakten.
Anekdote:
Gabber/collega R. hield een week of zo terug een winkeldief aan. Hij nam de knul mee naar het kantoor van de FM en belde de wouten. Ondertussen nam hij de gegevens van de kerel op. De jonge(n) man had, omgerekend voor nog geen zes euro in zijn tas geduwd en zit nu thuis met een boet van 181 pietermannen en een strafblad. Lekker handig, van dat jong. Wat wel weer grappig was dat een van de meiden van de kassa het kantoortje binnen en zei: 'He neef, kom je hier solliciteren?'
Zoals ik al schreef, wordt er voor 520 miljoen euro per jaar gejat uit winkels. (Winkels, ik zei het al: alle zaken waar je dingen kunt kopen die je al dan niet nodig hebt.) Bij de Bijenkorf, een wel echt poep chique winkel, ook overigens, hoor. We hebben er een in Amstelveen, ja, hé, natuurlijk, in Amstelveen zou je haast willen zeggen, maar goed, we hebben er een van de tien filialen die ons land rijk is. (Of je dat dat ook vind, dat 'rijk' zijn, is een tweede, ik vind het zelf een hele prettige toko, met personeel dat je hakken klikkend en lief lachend tegemoet komt en dat je uitgebreid informeert over allerlei vragen die je hebt. Waarna ik dan wegloop met een van die aanbiedingen die ze hebben, drie boeken voor een joet, tijdens die zogenaamde Dolle Dwaze Dagen.)
Maar, die Bijenkorf wordt elk jaar voor zevenenhalf miljoen, euro bestolen. I f... U not! 7.5 miljoen euro! Denk je dat eens in? (Ik tikte die woorden en getallen net in, geloofde het niet en heb het nog eens gecheked, maar ja, het staat er echt, hoor, dat geweldige hoge bedrag.) Nu ja, ondertussen is de doorsnee lezer van mijn Blog al lang afgehaakt, dus ik stop er maar mee. Niet? Je wilt meer? Ok, je gaat voor hardcore: je krijgt hardcore.
Het landelijk gemiddelde van winkeldiefstallen staat op 26 per 10.000 inwoners. Dus, ja ik weet het, jullie zijn slim zat, van elke 10.000 inwoners jatten er 26 wel eens. Nou dat valt mee toch? Ja, maar we hebben wel 16 miljoen mensen in ons land. (Ok, kids meegerekend) Maar, we hebben dus 16 miljoen mensen in ons land. Om van 10.000 een miljoen te maken, moet je dat getal met 100 vermenigvuldigen en dus ook het aantal dieven. Dan kom je dus op 2600 per 1.000.000 en vermenigvuldig dat nog maar eens met 16. Voor het gemak heb ik dat voor jullie even gedaan: 41.600 winkeldieven.
(Het getal van die diefstallen ligt overigens landelijk op die 26. In Mokum ligt dat op 60 en in mijn stad ook nog wel op 22, maar ja, wij liggen wel tegen de stad der steden aan, dus dan krijg je overloop van het geboefte, zeg maar.)
Is dat veel? Ja, dat vind ik wel. Een heel voetbalstadion vol boefjes of zo. Nou ja, het zal bij statistici wel allemaal anders liggen, natuurlijk. Man, man, wat een getallen. Eentje nog, om het af te leren. Als er een boefje gepakt word dan krijgt hij/zij een strafblad en, misschien zelfs een straf van de rechter. Maar in ieder geval komt er een 'vordering', nee kijk niet zo, ik heb het woord niet bedacht, van 181 euro 'tenaamstelling', nee, weer niet zelf verzonnen, van de hem of de haar. Maar ja, de mensen die jatten en stelen, hebben vaak geen cent te makken, dus: kan je fluiten? Fluit dan maar naar naar je munten.
Nu ja, over steelpiek, ik zou het nog uitleggen, voordat ik allemaal cijfers ging geven en zo. De periode rond feestdagen in december staat bekend als de periode waarin de meeste diefstallen gebeuren. Er is een piek in het stelen en, nee, ik ga dat nu niet voor jullie, slimme lezertjes, vertalen, daar zijn jullie natuurlijk helemaal slim en clever genoeg voor. Mensen met weinig geld willen ook de feestdagen meemaken, willen cadeaus kopen en lekker eten, wie wil niet een leuke decembermaand? Ik keur dat gedrag af, ja, logisch natuurlijk. Ik moet ook betalen voor mijn boodschappen en als ik, oké, we, die poen niet hebben, moeten we de tering naar de nering zetten. (Kijk en zo krijg je nog eens een gratis lesje "spreekwoorden en gezegdes" inbegrepen, gratis, bij deze cursus.)
Begrijp ik het? Ja, een beetje wel. Ik ben een arrebeijer geweest, mijn hele leven. Soms een chique arbeider, met strepen en sterren op mijn werkpak, maar ik ben ook een jonge arbeider geweest, met minder inkomsten, doordat ik nog niet zoveel van die sterren en strepen had. Daarbij een jong gezin, aflossingen hier en daar en nu, ja, laat maar verder. Maar, wij hebben de befaamde tering en zo, wel naar enzovoort gezet altijd en hebben nooit gestolen van wie dan ook. Hoewel supers het af en toe wel heel makkelijk maakten.
Anekdote:
Gabber/collega R. hield een week of zo terug een winkeldief aan. Hij nam de knul mee naar het kantoor van de FM en belde de wouten. Ondertussen nam hij de gegevens van de kerel op. De jonge(n) man had, omgerekend voor nog geen zes euro in zijn tas geduwd en zit nu thuis met een boet van 181 pietermannen en een strafblad. Lekker handig, van dat jong. Wat wel weer grappig was dat een van de meiden van de kassa het kantoortje binnen en zei: 'He neef, kom je hier solliciteren?'
zondag 30 november 2014
De Steelpiek
Ja, wat mot je nou met zo een kopje? Wat zegt dat en vooral: wat betekent dat? Nou ja, ik heb het niet van mezelf. Ik las het gisteren in De Volkskrant. Je kent het dagblad wel. Wat zuur, wat cynisch, wat linkserig en zo, maar: wel een krant zonder al te veel sensationele verhalen en zo.
Om te beginnen. Onze lieve kat, zie mijn vorige Blog, is nog bij ons. We willen haar vertrek naar de 'Kitty heaven', zoals de jongste dochter dat noemt, niet overhaasten, maar we willen het afscheid ook niet te lang laten duren, voordat ze echt gaat leiden. We proberen een Gulden Middenweg, (nu ja, dat laatste woord is dan wel weer toevallig gekozen) te kiezen. We 'monitoren', zoals we dat noemen, haar goed en zijn bedacht op elk teken van de eventuele pijn die ze moet hebben of zo. Nodeloos te zeggen dat we allemaal nog steeds verdrietig zijn en ook allemaal, elk op ons eigen manier, met haar aanstaande vertrek om gaan. Maar: ja, wat onvermijdelijk is, is dat ook. Bij het schrijven schiet ik weer vol.
(Ik wilde nog meer schrijven over ervaringen in mijn leven als ziekenpa, maar laat dat even voor wat het is, nu.)
Dus zat ik gisteren op mijn gemak de bank. Zaterdagen zijn voor mij rustdagen. Ik ga eerlijk bekennen dat ik niet meer de jonge haan ben die ik een paar jaar, wat, het lijkt wel een paar maanden, terug was. Ik heb nu mijn vrije dagen nodig om bij te trekken, om te recupereren, zoals dat heet in fietsjargon. Ik doe op die zaterdagen ook niet al te veel, zoals ik al schreef. Ik/we gaan wat boodschappen doen, we beginnen alvast aan het eten voor de volgende dag, als veel van de kids mee komen eten en ja, de rest van de dag hang ik, met kranten/bladen/boeken om me heen. Op de bank, hoor. Maar, genoeg over mij. In die j.l. Volkskrant las ik een artikel dat me behoorlijk aansprak. Het ging over "De Steelpiek". Oeps dacht ik: we hebben eerst de Zwarte Pieten discussie gehad, komt nu de kerstboom discussie aan bod? Ik bedoel: mogen we geen pieken meer in de bomen hebben of zo? (Er is natuurlijk al een enorme discussie op dat kerst gedoe gaande en gaande geweest. Er zijn bedrijven waar men geen kerstversieringen meer mag/wil/kan optuigen omdat dat tegen borsten van mensen met andere geloven zou stuitten.
"Mark my words": of wel: "let op mijn woorden": vanaf 6 december gaat die discussie weer in alle hevigheid losbarsten. Dan zullen de kranten weer bol en vol staan van alle bedrijven of winkels waar men geen ballen/(nep)hulst/(nep)takken/pieken en kerstmannen meer mag neerhangen*/zetten*/plaatsen* (*streep door wat niet van toepassing is) zonder dat de mensen met een ander geloof of een andere cultuur dan die zij hebben, maar die wel in de kerst geloven, daar aanstoot aan nemen en ons dat "fijntjes" laten weten. Waarbij wij diverse tradities van hun diverse geloven, ik noem alleen maar onverdoofd slachten, wel moeten accepteren. Maar soit.
Want daar ging het dus niet over, over het stelen van pieken. (Nee, geen poen, maar, eh, nu ja, ik ben weer op zijn Zeelands bezig, begrijp ik.)
Nee. Het ging over de enorme bedragen die jaarlijks gejat werden in ons land uit winkels. (Ja, supers ook, maar natuurlijk ook uit warenhuizen en zo.) Tijd voor getallen. Ja, saai, inderdaad, maar: lees en vrees, luister en huiver, werp een blik en schrik. Per jaar wordt er voor 520 miljoen euro in winkels gejat. Dat komt neer op een schadepost van 213 piek per gezin. (Maar, ik heb nog nooit een rekening van 213 eurotjes op de mat gehad van winkels, zeg je nu.) Nee, ha, ha, natuurlijk niet, clevere Harry, maar die 213,00 is het bedrag dat de winkelbedrijven doorberekenen aan de clientèle. Dat wordt natuurlijk doorberekend in de prijzen van de artikelen die we kopen. Ik heb ooit eens gelezen dat een super, ook onze Keten dus, een euro omzet moet maken voor 10 cent verlies, hetzij door diefstal, hetzij door dat er spullen worden weggegooid en zo. (!) Veel van die spullen MOETEN we weggooien omdat mensen die boodschappen doen, het vertikken om een verkeerde keuze die ze hebben gemaakt terug te brengen naar de schappen. Kijk, als je bijvoorbeeld een pot sambal/jam/pindakaas/hagelslag/schoenpoets toch niet echt nodig hebt en je legt dat tussen de frisdrank of de vuilniszakken neer, oké, asociaal, maar dat ruimen wij wel weer op. Maar: als je een kilo sukadelappen of kipkluiven in die stellingen of bijvoorbeeld in het vriesvak legt legt, ja, dan moeten wij dat weggooien en dat kost natuurlijk. Dus: berekenen onze economen dat door in de prijzen van de artikelen.
Dus ja, asociaal bezig zijn. Dat betekent wel, maar dat is ingesloten in het woord asociaal, dat je de rest van de mensen benadeeld.
Even wat cijfers: er worden 43.400 diefstallen per jaar gemeld uit winkelbedrijven. Daarmee is ons land toonaangevend. Na Finland en Spanje staan we op de derde plek van Europa.
Tja!
=morgen meer=
Om te beginnen. Onze lieve kat, zie mijn vorige Blog, is nog bij ons. We willen haar vertrek naar de 'Kitty heaven', zoals de jongste dochter dat noemt, niet overhaasten, maar we willen het afscheid ook niet te lang laten duren, voordat ze echt gaat leiden. We proberen een Gulden Middenweg, (nu ja, dat laatste woord is dan wel weer toevallig gekozen) te kiezen. We 'monitoren', zoals we dat noemen, haar goed en zijn bedacht op elk teken van de eventuele pijn die ze moet hebben of zo. Nodeloos te zeggen dat we allemaal nog steeds verdrietig zijn en ook allemaal, elk op ons eigen manier, met haar aanstaande vertrek om gaan. Maar: ja, wat onvermijdelijk is, is dat ook. Bij het schrijven schiet ik weer vol.
(Ik wilde nog meer schrijven over ervaringen in mijn leven als ziekenpa, maar laat dat even voor wat het is, nu.)
Dus zat ik gisteren op mijn gemak de bank. Zaterdagen zijn voor mij rustdagen. Ik ga eerlijk bekennen dat ik niet meer de jonge haan ben die ik een paar jaar, wat, het lijkt wel een paar maanden, terug was. Ik heb nu mijn vrije dagen nodig om bij te trekken, om te recupereren, zoals dat heet in fietsjargon. Ik doe op die zaterdagen ook niet al te veel, zoals ik al schreef. Ik/we gaan wat boodschappen doen, we beginnen alvast aan het eten voor de volgende dag, als veel van de kids mee komen eten en ja, de rest van de dag hang ik, met kranten/bladen/boeken om me heen. Op de bank, hoor. Maar, genoeg over mij. In die j.l. Volkskrant las ik een artikel dat me behoorlijk aansprak. Het ging over "De Steelpiek". Oeps dacht ik: we hebben eerst de Zwarte Pieten discussie gehad, komt nu de kerstboom discussie aan bod? Ik bedoel: mogen we geen pieken meer in de bomen hebben of zo? (Er is natuurlijk al een enorme discussie op dat kerst gedoe gaande en gaande geweest. Er zijn bedrijven waar men geen kerstversieringen meer mag/wil/kan optuigen omdat dat tegen borsten van mensen met andere geloven zou stuitten.
"Mark my words": of wel: "let op mijn woorden": vanaf 6 december gaat die discussie weer in alle hevigheid losbarsten. Dan zullen de kranten weer bol en vol staan van alle bedrijven of winkels waar men geen ballen/(nep)hulst/(nep)takken/pieken en kerstmannen meer mag neerhangen*/zetten*/plaatsen* (*streep door wat niet van toepassing is) zonder dat de mensen met een ander geloof of een andere cultuur dan die zij hebben, maar die wel in de kerst geloven, daar aanstoot aan nemen en ons dat "fijntjes" laten weten. Waarbij wij diverse tradities van hun diverse geloven, ik noem alleen maar onverdoofd slachten, wel moeten accepteren. Maar soit.
Want daar ging het dus niet over, over het stelen van pieken. (Nee, geen poen, maar, eh, nu ja, ik ben weer op zijn Zeelands bezig, begrijp ik.)
Nee. Het ging over de enorme bedragen die jaarlijks gejat werden in ons land uit winkels. (Ja, supers ook, maar natuurlijk ook uit warenhuizen en zo.) Tijd voor getallen. Ja, saai, inderdaad, maar: lees en vrees, luister en huiver, werp een blik en schrik. Per jaar wordt er voor 520 miljoen euro in winkels gejat. Dat komt neer op een schadepost van 213 piek per gezin. (Maar, ik heb nog nooit een rekening van 213 eurotjes op de mat gehad van winkels, zeg je nu.) Nee, ha, ha, natuurlijk niet, clevere Harry, maar die 213,00 is het bedrag dat de winkelbedrijven doorberekenen aan de clientèle. Dat wordt natuurlijk doorberekend in de prijzen van de artikelen die we kopen. Ik heb ooit eens gelezen dat een super, ook onze Keten dus, een euro omzet moet maken voor 10 cent verlies, hetzij door diefstal, hetzij door dat er spullen worden weggegooid en zo. (!) Veel van die spullen MOETEN we weggooien omdat mensen die boodschappen doen, het vertikken om een verkeerde keuze die ze hebben gemaakt terug te brengen naar de schappen. Kijk, als je bijvoorbeeld een pot sambal/jam/pindakaas/hagelslag/schoenpoets toch niet echt nodig hebt en je legt dat tussen de frisdrank of de vuilniszakken neer, oké, asociaal, maar dat ruimen wij wel weer op. Maar: als je een kilo sukadelappen of kipkluiven in die stellingen of bijvoorbeeld in het vriesvak legt legt, ja, dan moeten wij dat weggooien en dat kost natuurlijk. Dus: berekenen onze economen dat door in de prijzen van de artikelen.
Dus ja, asociaal bezig zijn. Dat betekent wel, maar dat is ingesloten in het woord asociaal, dat je de rest van de mensen benadeeld.
Even wat cijfers: er worden 43.400 diefstallen per jaar gemeld uit winkelbedrijven. Daarmee is ons land toonaangevend. Na Finland en Spanje staan we op de derde plek van Europa.
Tja!
=morgen meer=
dinsdag 25 november 2014
Heel veel emoties: een naderend afscheid.
Terwijl ik dit schrijf branden er tranen achter mijn
ogen en heb ik een enorm brok in mijn keel en dat zelfde geldt ook voor E. We zijn beiden enorm emotioneel. M'n lief en ik weten dat het moet gebeuren en zou gebeuren,
maar het is nog steeds onaanvaardbaar. Daarvoor is het nieuws te vers en te
rauw. Vandaag waren we weer eens bij de dierenarts met onze trouwe en oudste poes, Tabby. Ik heb meer over haar geschreven zoals jullie gelezen hebben. Ze is ondertussen zestien en een half jaar en dat is, maar de rekensom gaat natuurlijk niet echt op, omgerekend honderd jaar in mensenjaren, als je het zo wil zien. Ze is al zes jaar diabeet en we verzorgen haar dan ook voor die ziekte, gedurende die tijd. Twee keer daags krijgt ze injecties met insuline, we, ja, we, wij beiden zorgen voor haar, we houden ons aan haar dieet, gaan op gezette tijden ter controle naar de dierenarts en hebben gewoon de zorg voor het beestje. Want: als je een dier in huis neemt, ben je voor het beestje verantwoordelijk en kun je je er niet met een Jantje van Leiden afmaken, vinden wij. (Een morele plicht, dus.) Dus, toen Tab, een goede zes jaar geleden ongeveer, gediagnosticeerd werd met haar suikerziekte, was een van de vragen van de dierenarts, die we toen voor het eerst zagen: 'Wat doen jullie, laat je hem inslapen of ga je voor een behandeling?' Wij vonden een belachelijke vraag, zie onze redenatie boven. Natuurlijk zouden we voor het beest zorgen en natuurlijk stelden we vragen over het hoe en wat en over het eventuele lijden van het beest. 'Nou, ze kan, als alles goed gaat, nog jaren gezond mee hoor', vertelde hij, M., monter. We weten nu, dat hij blij was, dat we zoveel verantwoordelijkheidsgevoel hadden en niet een beest zomaar lieten afmaken, zoals wel veel en vaak gebeurd.
M. is ondertussen, na al die jaren, een beetje een vriend geworden.We kennen hem dus, zoals gezegd, al dik zes jaar, we weten iets over zijn gezin en zijn liefhebberijen en ondertussen hebben hij en ik een gezamenlijke hobby ontdekt, namelijk de eerste wereldoorlog. We lenen van en aan elkaar boeken en DVD's en in een leuk gesprek bleek dat we allebei in de zelfde periode in de zelfde kazerne hadden gediend. Hij als Officier bij de Landmacht en ik als Onderofficier bij de Koninklijke Marine. We zijn elkaar natuurlijk wel eens tegen het lijf gelopen, denk ik. Maar ja, om nu zomaar als marine man te erkennen dat er Landmacht lui bestaan, ja, dat is net even een brug te ver, zeg maar. Dus er waren geen blikken van herkenning, bij die eerste ontmoeting.
Met Tab ging het 'goed', al die jaren. Ze bleef pittig, wat voor een kat betekent dat ze maar 75% van hun dag verslapen en voor de overige 25% was ze bezig met eten, drinken en het schooien om eten. Dat schooien om eten werd zo erg dat we haar 'Food-junk' gingen noemen. Werkelijk waar, je kon niets, letterlijk niets op een bordje leggen, of: hup, daar kwam Poesje Mauw aangerend om een deel mee te snaaien. Dat maakte niet uit wat, hoewel ze wel kieskeurig was. "Ham: ja, gebakken ei: minder, tosti: yes please, stukkie gehaktbal: heerlijk, hachee: helemaal mijn ding. Oh, wauw, je hebt een kroketje: hier met dat spul". Ze tikte dan met haar nagels tegen je bordje aan en schraapte met der pootjes het eten onder je vingers weg. Waarop wij verzuchtten: 'Je kan verdorie niet eens rustig iets eten zonder dat junkie er bij zit!' Vaak zetten we haar dan maar op de gang, de deur naar de woonkamer dicht zodat je wel even een hapje kon eten.
Maar goed, de laatste maanden ging het minder en minder. Ze viel af, ze verzorgde zich minder, nu ja, je kent een beest al jaren en jaren en dingen vallen je op. Dus waren we, de vorige maandag, maar weer eens voor een maandelijkse controle getogen, met al onze vragen. De arts van dienst maakte zich zorgen, dacht aan een schildklier afwijking en verzocht ons om een week later, gisteren dus, terug te komen. Wat we natuurlijk deden en waarbij M. ons in de spreekkamer uitnodigde. Hij prikte bloed, voelde en tastte en maakte zich zorgen. 'Het zou wel eens iets ernstigs kunnen zijn', deed hij niet geruststellend. 'Ik denk aan een maligne ..' waar hij verder aan dacht weet ik niet meer, het woord "maligne" sloeg bij ons beiden in als een bom. Tja, maligne: kwaadaardig. Samen met een collega maakten hij een echo. Het vonnis was al gauw geveld. Tumoren in haar hele buikje. Ten dode opgeschreven. Ik liep weg, hete tranen over mijn wangen, mijn E. volgde en we stonden even samen buiten, waar de fraaie herfstzon onderging in onze wolken van intens verdriet.
M. gaf ons de tijd, troostte waar hij kon en ja, wat we al wisten, het hoge woord moest eruit: 'Hoe lang nog?' Nu, dat is moeilijk in te schatten, natuurlijk. 'Wacht niet te lang, hoor', was zijn antwoord, 'waarschijnlijk heeft ze het nog een tijd goed. Maar: wacht niet te lang'. Hij gaf ons alternatieven aan: enorme doses Prednison, Chemokuren, enzovoort. Maar dat zou het leiden van ons dier alleen maar verlengen. Dus zaten we, met natte ogen en betraande wangen, eenmaal thuis, met de vraag: wanneer gaat ze haar laatste reis aanvangen? Hoe lang willen en mogen we nog wachten om haar in te laten slapen? Oh, natuurlijk, ze heeft een goed leven gehad, ze ging, vaak mee op vakantie, genoot er van, op de katten manier, een beetje, ze is geliefd bij iedereen, ze is en blijft een nieuwsgierig aagje, nog steeds, maar we willen niet dat ze onwaardig sterft,als jullie me begrijpen.
Dus ja, we zien het aan, geven alle liefde die we hebben aan het beest en hopen dat we signalen oppikken als het niet meer gaat. Maar, lang zal het niet meer duren, zijn we bang voor.
Tabby is de eerste van ons gezinnetje, dat we allemaal zijn en waren, die straks de deur uitgaat zonder dat ze ooit weer terug komt, zonder dat we haar ooit weer eens zien of met haar kunnen praten of zo. Zestien en een half jaar heeft ze samen met ons een lang pad bewandeld, maar nu moet ze, of gaat ze, noodgedwongen binnenkort een andere weg in.
Ik laat mijn tranen nu maar stromen, ik kan niet anders.
M. is ondertussen, na al die jaren, een beetje een vriend geworden.We kennen hem dus, zoals gezegd, al dik zes jaar, we weten iets over zijn gezin en zijn liefhebberijen en ondertussen hebben hij en ik een gezamenlijke hobby ontdekt, namelijk de eerste wereldoorlog. We lenen van en aan elkaar boeken en DVD's en in een leuk gesprek bleek dat we allebei in de zelfde periode in de zelfde kazerne hadden gediend. Hij als Officier bij de Landmacht en ik als Onderofficier bij de Koninklijke Marine. We zijn elkaar natuurlijk wel eens tegen het lijf gelopen, denk ik. Maar ja, om nu zomaar als marine man te erkennen dat er Landmacht lui bestaan, ja, dat is net even een brug te ver, zeg maar. Dus er waren geen blikken van herkenning, bij die eerste ontmoeting.
Met Tab ging het 'goed', al die jaren. Ze bleef pittig, wat voor een kat betekent dat ze maar 75% van hun dag verslapen en voor de overige 25% was ze bezig met eten, drinken en het schooien om eten. Dat schooien om eten werd zo erg dat we haar 'Food-junk' gingen noemen. Werkelijk waar, je kon niets, letterlijk niets op een bordje leggen, of: hup, daar kwam Poesje Mauw aangerend om een deel mee te snaaien. Dat maakte niet uit wat, hoewel ze wel kieskeurig was. "Ham: ja, gebakken ei: minder, tosti: yes please, stukkie gehaktbal: heerlijk, hachee: helemaal mijn ding. Oh, wauw, je hebt een kroketje: hier met dat spul". Ze tikte dan met haar nagels tegen je bordje aan en schraapte met der pootjes het eten onder je vingers weg. Waarop wij verzuchtten: 'Je kan verdorie niet eens rustig iets eten zonder dat junkie er bij zit!' Vaak zetten we haar dan maar op de gang, de deur naar de woonkamer dicht zodat je wel even een hapje kon eten.
Maar goed, de laatste maanden ging het minder en minder. Ze viel af, ze verzorgde zich minder, nu ja, je kent een beest al jaren en jaren en dingen vallen je op. Dus waren we, de vorige maandag, maar weer eens voor een maandelijkse controle getogen, met al onze vragen. De arts van dienst maakte zich zorgen, dacht aan een schildklier afwijking en verzocht ons om een week later, gisteren dus, terug te komen. Wat we natuurlijk deden en waarbij M. ons in de spreekkamer uitnodigde. Hij prikte bloed, voelde en tastte en maakte zich zorgen. 'Het zou wel eens iets ernstigs kunnen zijn', deed hij niet geruststellend. 'Ik denk aan een maligne ..' waar hij verder aan dacht weet ik niet meer, het woord "maligne" sloeg bij ons beiden in als een bom. Tja, maligne: kwaadaardig. Samen met een collega maakten hij een echo. Het vonnis was al gauw geveld. Tumoren in haar hele buikje. Ten dode opgeschreven. Ik liep weg, hete tranen over mijn wangen, mijn E. volgde en we stonden even samen buiten, waar de fraaie herfstzon onderging in onze wolken van intens verdriet.
M. gaf ons de tijd, troostte waar hij kon en ja, wat we al wisten, het hoge woord moest eruit: 'Hoe lang nog?' Nu, dat is moeilijk in te schatten, natuurlijk. 'Wacht niet te lang, hoor', was zijn antwoord, 'waarschijnlijk heeft ze het nog een tijd goed. Maar: wacht niet te lang'. Hij gaf ons alternatieven aan: enorme doses Prednison, Chemokuren, enzovoort. Maar dat zou het leiden van ons dier alleen maar verlengen. Dus zaten we, met natte ogen en betraande wangen, eenmaal thuis, met de vraag: wanneer gaat ze haar laatste reis aanvangen? Hoe lang willen en mogen we nog wachten om haar in te laten slapen? Oh, natuurlijk, ze heeft een goed leven gehad, ze ging, vaak mee op vakantie, genoot er van, op de katten manier, een beetje, ze is geliefd bij iedereen, ze is en blijft een nieuwsgierig aagje, nog steeds, maar we willen niet dat ze onwaardig sterft,als jullie me begrijpen.
Dus ja, we zien het aan, geven alle liefde die we hebben aan het beest en hopen dat we signalen oppikken als het niet meer gaat. Maar, lang zal het niet meer duren, zijn we bang voor.
Tabby is de eerste van ons gezinnetje, dat we allemaal zijn en waren, die straks de deur uitgaat zonder dat ze ooit weer terug komt, zonder dat we haar ooit weer eens zien of met haar kunnen praten of zo. Zestien en een half jaar heeft ze samen met ons een lang pad bewandeld, maar nu moet ze, of gaat ze, noodgedwongen binnenkort een andere weg in.
Ik laat mijn tranen nu maar stromen, ik kan niet anders.
zondag 23 november 2014
Grumpy again, maar over leidinggeven, nu.
Als je dit stukje gaat lezen gaat het over leiding geven. Dit is
over leiding geven in het algemeen en het stukje is dus zeker niet
toegespitst op bepaalde herkenbare mensen of herkenbare situaties of zo.
Dit om problemen te voorkomen en natuurlijk om te voorkomen dat mensen
zich bij voorbaat al aangesproken voelen. Het vorige Blog ging over mijn dagen
in mijn wereld van toen, in mijn wereld van ooit. Die nooit meer terugkomt, natuurlijk.
Maar, die onvoorspelbaarheid in de dingen die je, als leidinggevende, tegenkomt bij onze Grijze Schoorsteen lijn, kun je dus ook weer vertalen naar de gewone werkvloer, zoals ik al opmerkte. En, zoals reeds geschreven, er bestaat geen "zelfhulp" boek over al dat soort vervelende zaken, ik wilde eerste een naar woord gebruiken, maar ik heb sinds kort begrepen dat ik er nu ook een vrouwelijke lezeres heb, die mij een compliment gaf over mijn Blogs en die me niet herkende in de vrij venijnige en schrijnende verhaaltjes, maar wel echt ook zo gemeende, Blogs die ik even geleden schreef, dus ga ik dat soort nare woorden maar uit de weg. Ze is een lieve en goede en, in mijn ogen, "nog onschuldige" collega, die ik niet de oren wil doen laten tuiten. (De grap is dat wij vrij vaak over leiding geven en over leiderschap hebben gesproken, tijdens het genieten van een sigaretje. Ik geloof dat mijn toenmalige woorden niet tegen doveman oren werden gesproken. Ze is chef van een andere afdeling nu, maar haar toenmalige afdeling draait goed, zeg maar. En, waarschijnlijk helemaal misschien wel niet door onze gesprekken, maar, misschien een beetje wel.)
Maar goed, ook op onze (Keten) werkvloer komen er totaal onverwachte zaken voor waar je je, als leidinggevende FM of afdelingschef, niet tegen kunt verzekeren.
Stel, de donderdag breekt aan. Een drukke dag, nu ja, alle dagen zijn dat wel, maar de donderdag heeft een soort sterretje achter/voor haar naam. Waarom? Geen idee, maar het is nu eenmaal zo een dag. Deze donderdag wordt dan nog eens extra pikant gemaakt, doordat er, om redenen die nooit zullen worden opgehelderd, geen mensen zijn voor de zuivel- en de groente afdeling. Slecht gepland? Nee, dat geloof ik niet. Want, we hebben, ik schreef het al eerder, wel zeven vaste medewerkers minder. Drie trouwe leden zijn (helaas voor hen), langdurig ziek dan wel revalideren of re-integreren ze, maar ja, da's natuurlijk niet full-time. Ook werden er meerdere collegae overgeplaatst. Onze "De Keten" expandeert, (is dat het goede woord? Mijn spellingscontrole geeft in ieder geval geen fout aan) en we openen momenteel filiaal na filiaal. Hoe kom je, in die nieuwe filialen aan goede mensen? Door ze van andere winkels over te plaatsen. In de KM noemde we iets dergelijks" Kannibaliseren", je gebruikte de onderdelen van andere schepen om jouw schip te kunnen laten varen. Onze directie zal der ook wel een gedachte over hebben, over die zaken, het schuiven met personeel, maar hoe dan ook: de afgelopen donderdag morgen was het weer feest en prijs en leek het de Staatsloterij wel.
Dus werd collega R., hij van het KDT, van zijn eigenlijke werk van die dag, een of ander administratieve klus, gehaald. FM zag: geen pax op de groente, dus: R. doet nu groente. Ook was er geen bemanning voor de zuivel afdeling. Dus begon ik dat dan voorlopig maar te doen. Maar: toen ging er een telefoontje op het toestel van FM. Op het filiaal O., iets verderop, had men al helemaal geen volk, geen pax, zo als dat heet dat bij het Korps. Dus moest collega R. daar een (overigens niet te declareren, want te voet) dienstreis naar toe maken. Dus was er ook geen pax op de groente dus ging schrijver dezes de groente vullen.
Hetgeen een genot is. Ik meen dat! De groente afdeling, nu ja, de onze dan, is groot met een enorm assortiment en staat onder de heerschappij van een collega die: "geen gelul, vullen en goed", als lijfspreuk heeft en dat dus ook waar maakt. Dus vulde ik de groente afdeling terwijl een man van weer een heel andere afdeling zich bezig hield met de melkpakken en de potten Griesmeelpap en de pakjes vleeswaren en zo. Goed? Nee, maar, een noodgreep van onze FM, die gelukkig goed uitpakte. Dus, improvisatie is deze man wel toevertrouwd.
Ik weet ook wel waarom dat zo is, overigens. In dat gesprek, zie eerdere Blogs, vertrouwde hij me toe, dat zijn grootvader bij de KM was geweest. Tja, en dan weet je het wel. Marine genen, altijd goed, toch?
Maar, die onvoorspelbaarheid in de dingen die je, als leidinggevende, tegenkomt bij onze Grijze Schoorsteen lijn, kun je dus ook weer vertalen naar de gewone werkvloer, zoals ik al opmerkte. En, zoals reeds geschreven, er bestaat geen "zelfhulp" boek over al dat soort vervelende zaken, ik wilde eerste een naar woord gebruiken, maar ik heb sinds kort begrepen dat ik er nu ook een vrouwelijke lezeres heb, die mij een compliment gaf over mijn Blogs en die me niet herkende in de vrij venijnige en schrijnende verhaaltjes, maar wel echt ook zo gemeende, Blogs die ik even geleden schreef, dus ga ik dat soort nare woorden maar uit de weg. Ze is een lieve en goede en, in mijn ogen, "nog onschuldige" collega, die ik niet de oren wil doen laten tuiten. (De grap is dat wij vrij vaak over leiding geven en over leiderschap hebben gesproken, tijdens het genieten van een sigaretje. Ik geloof dat mijn toenmalige woorden niet tegen doveman oren werden gesproken. Ze is chef van een andere afdeling nu, maar haar toenmalige afdeling draait goed, zeg maar. En, waarschijnlijk helemaal misschien wel niet door onze gesprekken, maar, misschien een beetje wel.)
Maar goed, ook op onze (Keten) werkvloer komen er totaal onverwachte zaken voor waar je je, als leidinggevende FM of afdelingschef, niet tegen kunt verzekeren.
Stel, de donderdag breekt aan. Een drukke dag, nu ja, alle dagen zijn dat wel, maar de donderdag heeft een soort sterretje achter/voor haar naam. Waarom? Geen idee, maar het is nu eenmaal zo een dag. Deze donderdag wordt dan nog eens extra pikant gemaakt, doordat er, om redenen die nooit zullen worden opgehelderd, geen mensen zijn voor de zuivel- en de groente afdeling. Slecht gepland? Nee, dat geloof ik niet. Want, we hebben, ik schreef het al eerder, wel zeven vaste medewerkers minder. Drie trouwe leden zijn (helaas voor hen), langdurig ziek dan wel revalideren of re-integreren ze, maar ja, da's natuurlijk niet full-time. Ook werden er meerdere collegae overgeplaatst. Onze "De Keten" expandeert, (is dat het goede woord? Mijn spellingscontrole geeft in ieder geval geen fout aan) en we openen momenteel filiaal na filiaal. Hoe kom je, in die nieuwe filialen aan goede mensen? Door ze van andere winkels over te plaatsen. In de KM noemde we iets dergelijks" Kannibaliseren", je gebruikte de onderdelen van andere schepen om jouw schip te kunnen laten varen. Onze directie zal der ook wel een gedachte over hebben, over die zaken, het schuiven met personeel, maar hoe dan ook: de afgelopen donderdag morgen was het weer feest en prijs en leek het de Staatsloterij wel.
Dus werd collega R., hij van het KDT, van zijn eigenlijke werk van die dag, een of ander administratieve klus, gehaald. FM zag: geen pax op de groente, dus: R. doet nu groente. Ook was er geen bemanning voor de zuivel afdeling. Dus begon ik dat dan voorlopig maar te doen. Maar: toen ging er een telefoontje op het toestel van FM. Op het filiaal O., iets verderop, had men al helemaal geen volk, geen pax, zo als dat heet dat bij het Korps. Dus moest collega R. daar een (overigens niet te declareren, want te voet) dienstreis naar toe maken. Dus was er ook geen pax op de groente dus ging schrijver dezes de groente vullen.
Hetgeen een genot is. Ik meen dat! De groente afdeling, nu ja, de onze dan, is groot met een enorm assortiment en staat onder de heerschappij van een collega die: "geen gelul, vullen en goed", als lijfspreuk heeft en dat dus ook waar maakt. Dus vulde ik de groente afdeling terwijl een man van weer een heel andere afdeling zich bezig hield met de melkpakken en de potten Griesmeelpap en de pakjes vleeswaren en zo. Goed? Nee, maar, een noodgreep van onze FM, die gelukkig goed uitpakte. Dus, improvisatie is deze man wel toevertrouwd.
Ik weet ook wel waarom dat zo is, overigens. In dat gesprek, zie eerdere Blogs, vertrouwde hij me toe, dat zijn grootvader bij de KM was geweest. Tja, en dan weet je het wel. Marine genen, altijd goed, toch?
vrijdag 21 november 2014
Een "grumpy old man", over zijn herinneringen
Als je dit stukje gaat lezen gaat het over leiding geven. Dit is over leiding geven in het algemeen en het stukje is dus zeker niet toegespitst op bepaalde herkenbare mensen of herkenbare situaties of zo. Dit om problemen te voorkomen en natuurlijk om te voorkomen dat mensen zich bij voorbaat al aangesproken voelen. Het Blog gaat over mijn dagen in mijn wereld van van ooit.
Leiding geven, en dan goed, echt, leiding geven, is het moeilijkste dat er is, nu ja, na het bevallen van kinderen dan, zegt E. Of de maandelijkse stonden, zeggen bijna alle vrouwen, wat natuurlijk onzin is. Want: welke vrouw staat iedere dag voor dag en dauw voor de spiegel met een scheermes in de hand? Dus, nee, geen gedoe over die periodes. Bovendien: de dames van de schepping construeren een maal per maand in hun vruchtbare leven een eitje. Wij, mannen produceren 70 miljoen, ja ga der maar aan staan, meiden 70 x 10 tot de zesde, zaadcellen per dag. Wie hoort ons mannen klagen? Nee, wij dragen die last en gaan verder fluitend door het leven, dus, hallo, even kappuh nau, dames!
Hoe kom ik hier nu weer op? Oh ja, ik geef leiding aan de z... fabriek, oh, ja zo, is het.
Maar goed, leiding geven, de "baas" zijn, de verantwoordelijkheid op je nemen, het voortouw nemen, is niet gemakkelijk, in tegendeel: het is een zware klus, die je overigens vaak in je schoot geworpen krijgt, zonder dat je echt weet of wist wat er met je gebeurde of zonder dat je enig weet had van wat je overkwam. Oh, natuurlijk worden er allerlei opleidingen in gegeven en allemaal vervolg cursussen en zo, maar, het blijft een verrekt moeilijk iets. Temeer daar er op de meest onverwachte momenten, de meest onverwachte zaken gebeuren en er geen handleiding voor leidinggevenden bestaat, getiteld: "Hoe te handelen bij onverwachte zaken op onverwachte momenten, met alle voorbeelden die er in de hele wereld bestaan, door Prof. Ir. Dr. Hup van Keeken". Dat betekent dus dat je, als leiding gevende*/kaderlid*/baasje* (streep maar door hoe je zelf denkt dat je in je organisatie staat) opeens geconfronteerd kunt worden met de meest vreemde zaken. Kijk maar eens om je heen (en dat ook als niet leidinggevende), wat er allemaal kan gebeuren op de werkvloer en dan vaak ook nog tegelijkertijd en allemaal even gecompliceerd. (En, maar, zoals Koot zou zeggen, dat speelt zich op elke werkvloer af hoor, niet alleen mijn huidige.)
Zelf heb ik het nodige voor mijn kiezen gehad, hoor, qua onverwachte evenementen, vooral in dat zogenaamde vorige leven, zoals ik mijn tijd in 's Lands wapenrok blijf noemen. Aan boord van Hr. Ms. schepen, maar dat was dus zo in in mijn tijd, lees nu Zr. Ms. schepen (zeg trouwens nooit de Hr./Zr Ms. schepen, dat geeft geen pas, je mag zeggen DE Doorman maar nooit DE Zr. Ms. Doorman. Je mag overigens ook nooit zeggen dat mensen van de vloot mariniers zijn. Mariniers zijn een apart onderdeel van de vloot. Het jongste onderdeel dan ook nog eens met een heleboel pretenties, maar, soms, toegegeven, ze maken het wel waar.)
We, ik praat een beetje voor de groep mannen waar ik al een tijdje geleden over had, maar alle marine lui, natuurlijk, gingen dan naar zee en ja, wat doe je om je voor te bereiden op het meest erge dat je kan voorkomen op een schip van oorlog, op een schip met dingen die heel luid "BOEM" doen, op een "voor-niks-nie-bang-boot" zoals de Zuid-Afrikaan dat noemt? Namelijk het voorkomen dat jouw schip naar de Ratsmodee gaat door de vijand, maar wel om te kunnen zorgen dat dat andere schip wel naar de Ratsmodee gaat? Oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Om dat, op de rustdag van de week, de zondag, ja, nog eens dunnetjes over te doen. "Six days of the week thou shalt work, but on the seventh day thou shalt work a damned sight harder", zeiden de Limeys, onze Engels collegae ooit. Want: oefening baart kunst, weet je wel. Of, een klein beetje, (een ook wat verkeerd citaat maar wel iets in die richting): Artis Natura Magistra, maar dat is ietwat ver gezocht.
Dus je oefent je bepaalde mannelijke anatomische delen uit de befaamde broek. Dagelijks. Met alle mogelijke, nare, scenario's. Zo een schip is, net als elke organisatie, opgedeeld in afdelingen. Aan het hoofd van elke afdeling, in mijn 'toenspraak', een divisie, staat een hoofd. Dat hoofd, vaak een officier, vaak een onderofficier, moet zijn mensen dus aansturen om: branden te blussen, te voorkomen dat er branden komen, dat er wel raketten of kanonnen, worden afgevuurd, dat er geen vliegtuigen het schip gaan verkennen, dat onze vliegtuigen de vijandelijke schepen wel gaan verkennen, dat er geen gewonden vallen, dat die gewonden dan ook verzorgd en geholpen worden, dat er geen branden ontstaan, dat die branden dan bestreden worden, dat het schip altijd zal kunnen blijven drijven en vechten, dat er nog steeds gegeten en gedronken kan worden, dat er dus geen storingen in de wapen systemen ontstaan, maar dat die wel verholpen worden, nu ja, zoek het maar uit. Je bent met een m/v of 180, in de laatste generatie schepen waarop ik diende dan, maar je hebt, bij om het eggie en bij oefeningen, werk voor het dubbele aantal mensen. (in mariniers taal: Pax)
We deden dat oefenen natuurlijk daar waar we waren, qua patet orbis, zo wijd de wereld is, de befaamde spreuk van ons Korps. Maar, voornamelijk deden we dat onder de bezielende leiding van de Royal Navy, de Butsen, de Limeys, nu ja, de Engelse Marine. De doorsnee Brit heeft in mijn ogen drie enorme pluspunten, boven ons Dutchies, of Cloggies, zoals ze ons noemden. De Brit is "a sporting gentlemen", hij/zij heeft een enorm gevoel voor humor, zie de Engelse comedy series maar eens en: ten derde het zijn bijna allemaal ras acteurs. (zie series als Downton Abbey, Poirot, George Gently en..) Dus ging elk schip een maal per jaar, het ligt anders, maar de verwarring is al groot genoeg bij de niet KM lezertjes, naar de zuidkust van het UK, om daar,gedurende een week of acht, afgeknepen te worden. Door de Engelsen. Die dan onze schepen 'overnamen' en kans zagen om leiderschap te inspireren in de jongste matrozen of om de hoogste rangen aan boord, op een zijspoor te zetten.
Ik geef een klein voorbeeld: we kregen een oefening voor onze kiezen dat nagebootst was van een hele nare affaire die de RN had meegemaakt tijdens hun oorlog tegen het land van de vrouw van onze naamgever van de marine schepen. Cryptische vraag. Gaan jullie voor de honderd punten, of nemen jullie een joker?
Heel goed, Argentinië, de Falkland oorlog. Daar was HMS Sheffield geraakt door raketten en het schip was bezaaid met honderden gewonden. Wij, medische dienst, moesten dat scenario oplossen, op onze manier. Midden in de oefening vertelde een Engelse scheidsrechter dat ik nu opeens dood was. (Gelukkig dan, ik wilde al even een pafke doen en kon nu even aan dek staan.) Mijn vrouwelijke opvolgster, Ellen, was opeens de baas over de geneeskundige dienst! Ze slikte, keek om zich heen, zag al die (perfect geschminkte) gewonden en: leiderschap trad in. Ze delegeerde, ging patiënten bekijken, vertelde een bemoeizieke officier dat 'ie maar even anders moest gaan zitten 'kwijlen' en ik was trots al een aap met de bekende zeven je-weet-wellen op haar!
=Leiderschap, later meer=
Leiding geven, en dan goed, echt, leiding geven, is het moeilijkste dat er is, nu ja, na het bevallen van kinderen dan, zegt E. Of de maandelijkse stonden, zeggen bijna alle vrouwen, wat natuurlijk onzin is. Want: welke vrouw staat iedere dag voor dag en dauw voor de spiegel met een scheermes in de hand? Dus, nee, geen gedoe over die periodes. Bovendien: de dames van de schepping construeren een maal per maand in hun vruchtbare leven een eitje. Wij, mannen produceren 70 miljoen, ja ga der maar aan staan, meiden 70 x 10 tot de zesde, zaadcellen per dag. Wie hoort ons mannen klagen? Nee, wij dragen die last en gaan verder fluitend door het leven, dus, hallo, even kappuh nau, dames!
Hoe kom ik hier nu weer op? Oh ja, ik geef leiding aan de z... fabriek, oh, ja zo, is het.
Maar goed, leiding geven, de "baas" zijn, de verantwoordelijkheid op je nemen, het voortouw nemen, is niet gemakkelijk, in tegendeel: het is een zware klus, die je overigens vaak in je schoot geworpen krijgt, zonder dat je echt weet of wist wat er met je gebeurde of zonder dat je enig weet had van wat je overkwam. Oh, natuurlijk worden er allerlei opleidingen in gegeven en allemaal vervolg cursussen en zo, maar, het blijft een verrekt moeilijk iets. Temeer daar er op de meest onverwachte momenten, de meest onverwachte zaken gebeuren en er geen handleiding voor leidinggevenden bestaat, getiteld: "Hoe te handelen bij onverwachte zaken op onverwachte momenten, met alle voorbeelden die er in de hele wereld bestaan, door Prof. Ir. Dr. Hup van Keeken". Dat betekent dus dat je, als leiding gevende*/kaderlid*/baasje* (streep maar door hoe je zelf denkt dat je in je organisatie staat) opeens geconfronteerd kunt worden met de meest vreemde zaken. Kijk maar eens om je heen (en dat ook als niet leidinggevende), wat er allemaal kan gebeuren op de werkvloer en dan vaak ook nog tegelijkertijd en allemaal even gecompliceerd. (En, maar, zoals Koot zou zeggen, dat speelt zich op elke werkvloer af hoor, niet alleen mijn huidige.)
Zelf heb ik het nodige voor mijn kiezen gehad, hoor, qua onverwachte evenementen, vooral in dat zogenaamde vorige leven, zoals ik mijn tijd in 's Lands wapenrok blijf noemen. Aan boord van Hr. Ms. schepen, maar dat was dus zo in in mijn tijd, lees nu Zr. Ms. schepen (zeg trouwens nooit de Hr./Zr Ms. schepen, dat geeft geen pas, je mag zeggen DE Doorman maar nooit DE Zr. Ms. Doorman. Je mag overigens ook nooit zeggen dat mensen van de vloot mariniers zijn. Mariniers zijn een apart onderdeel van de vloot. Het jongste onderdeel dan ook nog eens met een heleboel pretenties, maar, soms, toegegeven, ze maken het wel waar.)
We, ik praat een beetje voor de groep mannen waar ik al een tijdje geleden over had, maar alle marine lui, natuurlijk, gingen dan naar zee en ja, wat doe je om je voor te bereiden op het meest erge dat je kan voorkomen op een schip van oorlog, op een schip met dingen die heel luid "BOEM" doen, op een "voor-niks-nie-bang-boot" zoals de Zuid-Afrikaan dat noemt? Namelijk het voorkomen dat jouw schip naar de Ratsmodee gaat door de vijand, maar wel om te kunnen zorgen dat dat andere schip wel naar de Ratsmodee gaat? Oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Om dat, op de rustdag van de week, de zondag, ja, nog eens dunnetjes over te doen. "Six days of the week thou shalt work, but on the seventh day thou shalt work a damned sight harder", zeiden de Limeys, onze Engels collegae ooit. Want: oefening baart kunst, weet je wel. Of, een klein beetje, (een ook wat verkeerd citaat maar wel iets in die richting): Artis Natura Magistra, maar dat is ietwat ver gezocht.
Dus je oefent je bepaalde mannelijke anatomische delen uit de befaamde broek. Dagelijks. Met alle mogelijke, nare, scenario's. Zo een schip is, net als elke organisatie, opgedeeld in afdelingen. Aan het hoofd van elke afdeling, in mijn 'toenspraak', een divisie, staat een hoofd. Dat hoofd, vaak een officier, vaak een onderofficier, moet zijn mensen dus aansturen om: branden te blussen, te voorkomen dat er branden komen, dat er wel raketten of kanonnen, worden afgevuurd, dat er geen vliegtuigen het schip gaan verkennen, dat onze vliegtuigen de vijandelijke schepen wel gaan verkennen, dat er geen gewonden vallen, dat die gewonden dan ook verzorgd en geholpen worden, dat er geen branden ontstaan, dat die branden dan bestreden worden, dat het schip altijd zal kunnen blijven drijven en vechten, dat er nog steeds gegeten en gedronken kan worden, dat er dus geen storingen in de wapen systemen ontstaan, maar dat die wel verholpen worden, nu ja, zoek het maar uit. Je bent met een m/v of 180, in de laatste generatie schepen waarop ik diende dan, maar je hebt, bij om het eggie en bij oefeningen, werk voor het dubbele aantal mensen. (in mariniers taal: Pax)
We deden dat oefenen natuurlijk daar waar we waren, qua patet orbis, zo wijd de wereld is, de befaamde spreuk van ons Korps. Maar, voornamelijk deden we dat onder de bezielende leiding van de Royal Navy, de Butsen, de Limeys, nu ja, de Engelse Marine. De doorsnee Brit heeft in mijn ogen drie enorme pluspunten, boven ons Dutchies, of Cloggies, zoals ze ons noemden. De Brit is "a sporting gentlemen", hij/zij heeft een enorm gevoel voor humor, zie de Engelse comedy series maar eens en: ten derde het zijn bijna allemaal ras acteurs. (zie series als Downton Abbey, Poirot, George Gently en..) Dus ging elk schip een maal per jaar, het ligt anders, maar de verwarring is al groot genoeg bij de niet KM lezertjes, naar de zuidkust van het UK, om daar,gedurende een week of acht, afgeknepen te worden. Door de Engelsen. Die dan onze schepen 'overnamen' en kans zagen om leiderschap te inspireren in de jongste matrozen of om de hoogste rangen aan boord, op een zijspoor te zetten.
Ik geef een klein voorbeeld: we kregen een oefening voor onze kiezen dat nagebootst was van een hele nare affaire die de RN had meegemaakt tijdens hun oorlog tegen het land van de vrouw van onze naamgever van de marine schepen. Cryptische vraag. Gaan jullie voor de honderd punten, of nemen jullie een joker?
Heel goed, Argentinië, de Falkland oorlog. Daar was HMS Sheffield geraakt door raketten en het schip was bezaaid met honderden gewonden. Wij, medische dienst, moesten dat scenario oplossen, op onze manier. Midden in de oefening vertelde een Engelse scheidsrechter dat ik nu opeens dood was. (Gelukkig dan, ik wilde al even een pafke doen en kon nu even aan dek staan.) Mijn vrouwelijke opvolgster, Ellen, was opeens de baas over de geneeskundige dienst! Ze slikte, keek om zich heen, zag al die (perfect geschminkte) gewonden en: leiderschap trad in. Ze delegeerde, ging patiënten bekijken, vertelde een bemoeizieke officier dat 'ie maar even anders moest gaan zitten 'kwijlen' en ik was trots al een aap met de bekende zeven je-weet-wellen op haar!
=Leiderschap, later meer=
Abonneren op:
Posts (Atom)