woensdag 25 mei 2016

MHO 4, de laatste dan maar!

Nu ja, de laatste? Dat Marine Hospitaal herbergt zoveel verhalen, legendes, sagen en anekdotes in het voormalige gebouw en in de geesten van de mensen die daar ooit woonden en werkten, dat ik er wel een boek over zou kunnen schrijven. Als laatste een melodramatisch en ergens ook een heel triest verhaal, waarbij ik, naar mijn gevoel en zelfs veertig jaar later, nog steeds geen goede rol heb gespeeld. 
Een onderofficier van ons eigen dienstvak, ene X., was, veel te jong, overleden. (Dit verhaal speelt zich overigens ongeveer af in de tijd van het verhaal van de SBN, dat ik eerder schreef.) Ik was nog steeds een jonge korporaal, ik deed in die tijd geloof ik de röntgen opleiding en had weer eens de wacht. Wij liepen: "Vier van de vijf", heette dat, je had dan elke vijfde dag de wacht, dat was vierentwintig uur op, maar dan hadden we wel 'slaapwacht', zeg maar. Je kon dan, als het rustig was gewoon 's nachts, na tien uur,  inleggen, gaan pitten betekent dat, maar vaak, vooral in de zomer, was je behoorlijk bezig in die nachten. Zandvoort en haar strandtenten en kroegen waren onze beste klanten, hoewel we ook wel eens naar Haarlem moesten voor ambu diensten.  En na zo een nacht, waarin  je nogal wat patiënten had gezien, moest je daarna gewoon werken/leren, hoor. 

Goed, die overleden collega onderofficier lag met nog meer zorg dan anders opgebaard in de aula, de rouwkamer. Hij lag er keurig netjes, ik geloof zelfs in zijn uniform, op een fraaie baar, met zwarte afhangende kleden, twee grote kaarsenstandaards met inhoud aan het hoofdeinde, een fraai wit laken gedrapeerd over zijn stoffelijk overschot en zo. Ik had eerder al een seintje gekregen dat zijn weduwe haar overleden man wilde bezoeken. Ik ving haar, bij haar binnenkomst, op, deed de gebruikelijke geluiden van rouwbeklag en begeleidde haar naar de op een na laatste rustplaats. Ik deed de deur open, liet haar nog even wachten en haalde het laken van zijn ingevallen en doodsbleke gelaat. Ik liet haar binnen en deed vijf stappen terug, een doos met zakdoekjes bij de hand. Ik zag haar verdriet en hoorde haar huilen. Maar, ik hoorde ook een soort gesis, zoiets van: "heerlijke schoft." Nu ja, emoties zijn emoties dus ik deed er verder niet moeilijk over. Mijn 'pieper' piepte en het was een twee piep. Dat betekende dat het geen spoedoproep was, maar dat ik wel ASAP contact op moest nemen met de telefoon-/alarmcentrale. (Geen Doos, deze keer) Ik pakte de telefoon die naast de aula hing, belde en kreeg de telefonist. 'Eh, Lucas, ik heb de weduwe X, hier aan de balie. Maar ik begreep dat jij al ene weduwe X. beneden hebt?' Tja, nu ja, om te zeggen dat ik helemaal geschokt was is overdreven de oud collega en zijn levenswandel kennende maar lastig was het wel. 'Overigens' zei de stem van de man in de centrale, 'deze mevrouw spreekt alleen maar Engels.' Oeps! Even trok ik weg, maar: Rust kenmerkt de zeeman, is het KM gezegde dus ik zeg tegen de man aan de telefoon: 'Zet haar even apart, niet in de kantine, maar in het kantoor van de chef opname, die is leeg en de deur is open. Geef haar koffie of thee, thee doe maar, ze is Engelse, toch? Ik kom ASAP.' 
Ik vertelde haar, die ik nu maar in gedachten de 'hoofdweduwe' noemde, dat ik even weg moest en of zij het wel aankon. Ze knikte. Ik belde voor de zekerheid met de ziekenverpleger van de wacht, een eerste klas, die even zat te rusten en drukte hem 'op post' op de hoek van de rouwkamer. Je wist maar nooit of de hoofdweduwe rare dingen in der koppie had, gelet op het gefluister dat ik had gehoord. Ik floot mijn collega in en hij begreep het. Ik vroeg hem ook om haar met zachte drang weg te werken, zoiets zeggende dat het bezoekuur over was, zuks dan. Het was een slimme knaap en hij knikte. 'Ik probeer het', beloofde hij. Daarna ging ik naar boven. De rouwkamer was gevestigd in de voormalige kapel, het Hospitaal was namelijk een klooster geweest zoals ik al schreef, en de die kapel lag op de begane grond. Ik liep even langs de portier en hij zei dat de Engelse weduwe in het aangewezen kantoor aanwezig was. Even snel een paar halen aan een shaggie, ik moest even denken hoe het allemaal zat en hoe ik het aan moest pakken. F... it, twee weduwen, gek ventje! Hoe laat je het zover komen? Dat je van vrouwen hield en dat je je ding nauwelijks binnen boord kon houden, dat was alom bekend, maar tot twee maal trouwen? Eikel, dacht ik, maar dat mocht ik niet denken, want over de doden, nu ja, et cetera.
Ik liep het bureau van de chef opname binnen en zag haar zitten. Een niet onaantrekkelijke vrouw van eind dertig. Ze was niet al te lang, had donkerblond halflang haar en fraaie groene ogen. Ze had een aardig lichaam met nogal grote, eh neusgaten, zeg maar. Ik stelde me voor en ik hoorde haar naam en ja, ik condoleerde haar en dat soort zaken, weet je niet. We rookten een snelle sigaret, ik vroeg of ze nog thee wou, maar nee, ze wilde 'farewell' zeggen. Ik zat op hete kolen, want ik wilde niet dat ze in de aula kwam voordat de andere weduwe weg was, maar mijn pieper gaf een toon, eentje. Dat betekende dat er een berichtje was. Ik belde en de ziekenpa op post met de weduwe zei dat ze klaar was om weg te gaan! Ik haalde diep adem. Ik zei dat we nu op weg gingen en ik maakte de toer naar de aula net andersom. Het gebouw was een vierkant met dus gangen die allemaal in elkaar overgingen. Ik had voor de lange toer gekozen, via allemaal poliklinieken die niet bezet waren. Daarmee hoopte ik dat de dames elkaar niet zouden ontmoetten. De ziekenpa, een clevere snuiter, ik zei het al, had hetzelfde idee gehad en dus de zelfde weg gekozen, denkende dat ik de snelste weg had gepakt. Dus kwamen we elkaar tegen. Hij met de hoofdweduwe, ik met de hulp weduwe, zeg maar. Halverwege kwamen we elkaar dus tegen. De vrouwen liepen met gebogen hoofd, alleen in hun verdriet.
Nee, er was geen confrontatie. Beide vrouwen hadden hun eigen herinneringen aan een man die beweerde er alleen voor 'hen' te zijn. Hij leefde een dubbelleven. Ten koste van twee mooie en lieve vrouwen. Hij had kinderen bij zijn Nederlandse vrouw, ook nog. Vaak kwamen zijn 'exploten' zoals de Vlaming zegt, op in verhalen die aan de tap, de bar dan, verteld werden en mijn oudere vrienden van de RenP weten er ook nog van. Het waren "Arie" of "flinke Tinus" verhalen. Verhalen die zich herhalen en sterker worden naarmate ze verteld werden. Ik heb getracht te vertellen hoe zielig ik het vond, dat van die twee echtgenotes en hun verdriet en hoe eng ik de oud collega vond omdat hen aan te doen. Maar ja, ik heb er uiteindelijk zelf wel aan meegedaan, aan die deceptie van hem en zijn twee vrouwen. Ik heb ze niet geconfronteerd met elkaar. Zou dat dan slim geweest zijn? Nu hebben beide vrouwen het idee, mochten ze nog leven, dat zij slechts een man hadden in hun leven?

Nee, ik ben niet echt trots op de afhandeling van die situatie. Kon ik veel anders doen? Na dik veertig jaar denk ik er nog vaak over en ik voel me nog steeds niet helemaal senang, zeg maar.

N.B. Ik geloof dat er nogal wat rellen ontstonden rond de begrafenis van de collega. Daar werden de dames uiteindelijk wel met elkaar geconfronteerd.



3 opmerkingen:

  1. Begon zijn achternaam met een L en voornaam met een J??

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Moi.Lucas

    Ja dat soort dingen gebeurden er in het HHO maar al te vaak. Je had van die mannen vaak een schatje hadden in een of ander stad of land. Maar niets dan goede over de doden........toch?

    Groet'n Huub.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ik denk dat je dit goed hebt opgelost....je hebt niemand te kort gedaan en in dit soort gevallen beslissen Lot en Murphy over de afloop.

    BeantwoordenVerwijderen